Kabinet denkt aan greentimerregeling voor elektrische ex-leaseauto, pseudo-eindheffing aangepast
Het kabinet overweegt een nieuwe belastingkorting in te voeren voor werknemers die een tweedehands elektrische leaseauto van 5 tot 8 jaar oud rijden. Bovendien past het kabinet 4 punten aan in de nieuwe heffing op fossiele bedrijfsauto’s, ook wel bekend als de pseudo-eindheffing.
Greentimerregeling
Staatssecretaris van Financiën Eerenberg kondigt de greentimerregeling aan, een nieuw belastingvoordeel voor werknemers die via hun werkgever een elektrische auto rijden van 5 tot 8 jaar oud. De bijtelling is het bedrag dat een werknemer bovenop zijn salaris moet opgeven als hij een leaseauto ook privé gebruikt. Dat bedrag wordt normaal berekend over de oorspronkelijke cataloguswaarde. Probleem is dat de nieuwprijs van oudere elektrische modellen soms hoger lag dan die van nieuwere auto’s. De greentimerregeling compenseert dit met een verlaagd tarief van 14 à 15 procent over de oorspronkelijke cataloguswaarde.
‘Op dit moment wordt namelijk een relatief groot aandeel van de elektrische auto’s die uit de lease komen geëxporteerd, in plaats van dat ze doorstromen naar de tweedehands markt’, schrijft Eerenberg aan de Tweede Kamer. ‘Door de recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten is de vraag naar tweedehands elektrische auto’s in Nederland toegenomen, maar de import blijft nog steeds achter bij de export. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat veel zakelijke auto’s na 5 jaar te duur zijn voor de particuliere markt of dat de auto’s niet aan de wensen van de particuliere markt voldoen).
Doelgroep onderzocht
Onderzoeksbureau Revnext heeft in opdracht van het kabinet de potentiële doelgroep en mogelijke gedragseffecten onderzocht. Werknemers die nu gebruikmaken van de youngtimerregeling zijn met de greentimerregeling duurder uit, maar aanmerkelijk goedkoper dan bij een nieuwe auto in de reguliere bijtelling. Voor werknemers die al in de reguliere bijtelling zitten, kan de regeling een prikkel zijn om over te stappen op een oudere elektrische auto, mits leasemaatschappijen deze wil aanbieden.
Het kabinet laat aanvullend een enquête uitvoeren onder werkgevers en werknemers om de voorlopige conclusies te toetsen. In augustus beslist het kabinet of en per wanneer de regeling wordt ingevoerd. De budgettaire derving en dekkingsopties worden nog nader in kaart gebracht.
Pseudo-eindheffing
Per 1 januari 2027 treedt verder de pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s in werking. Dat is een extra heffing voor werkgevers die een benzine- of dieselauto aan een werknemer ter beschikking stellen die ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt, inclusief woon-werkverkeer. Het tarief bedraagt 12 procent over de cataloguswaarde. Via een aangenomen motie van de Kamerleden Van Dijk en Van Eijk was het kabinet gevraagd de regeling praktisch te verbeteren. Na uitgebreid overleg met de sector past het kabinet de regeling op 4 punten aan.
4 aanpassingen voor werkgevers
Vervangende auto’s bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel zijn voor maximaal 14 aaneengesloten kalenderdagen vrijgesteld van de heffing. De overgangstermijn voor bestaande fossiele bedrijfsauto’s schuift op van 17 september 2030 naar 1 januari 2031, zodat werkgevers hun administratie niet midden in een boekjaar hoeven aan te passen. Tot 1 januari 2031 is het bovendien toegestaan om voor 1 periode van maximaal 7 aaneengesloten dagen per kalenderjaar een fossiele auto tijdelijk in te zetten zonder heffing, een tegemoetkoming voor sectoren die moeite hebben huurvloten te elektrificeren. Tot slot worden rijscholen volledig vrijgesteld, omdat zij op grond van de derde rijbewijsrichtlijn voorlopig verplicht zijn rijlessen in auto’s met een verbrandingsmotor aan te bieden voor het behalen van rijbewijs B.
3 praktijksituaties
Eerenberg verduidelijk namens het kabinet in zijn Kamerbrief ook 3 praktijksituaties. Als een werknemer werkzaam is in meerdere landen en een belastingverdrag het heffingsrecht deels aan een ander land toewijst, mag die verdeling ook worden gehanteerd voor de pseudo-eindheffing. Bij incidenteel gebruik van een taxi als passagier is de werkgever geen pseudo-eindheffing verschuldigd, omdat er dan geen sprake is van een auto ter beschikking stelling.
Als een werknemer door een fusie of overname van werkgever wisselt, kan het overgangsrecht van toepassing blijven bij de nieuwe werkgever. Bij een gewone werknemerswisseling vervalt het overgangsrecht voor de nieuwe werkgever echter, omdat de heffing gekoppeld is aan de werkgever en niet aan de auto of werknemer. Stelt diezelfde werkgever de fossiele auto gedurende de overgangstermijn ter beschikking aan een andere werknemer, dan behoudt de auto het overgangsrecht. Tot slot start het kabinet een informatiecampagne om de bekendheid van de regeling onder werkgevers te vergroten.
Onderzoek grondslag mrb
Eerenberg meldt tot slot de grondslag van de motorrijtuigenbelasting (mrb) te onderzoeken. Deze jaarlijkse wegenbelasting die automobilisten betalen, wordt nu nog berekend op basis van het voertuiggewicht. Dat systeem stamt uit de Wegenbelastingwet van 1926, toen gewicht gold als de beste benadering van de schade die een voertuig aan het wegennet veroorzaakte.
Het systeem werkt nadelig uit voor eigenaren van kleinere elektrische auto’s: de zware accu maakt bij kleine auto’s een groter deel uit van het totaalgewicht dan bij grotere modellen, waardoor de generieke kortingsregeling voor elektrisch rijden minder gunstig uitpakt. Bovendien kent de kortingsregeling een horizonbepaling en vervalt zij in 2030, wat onzekerheid geeft voor automobilisten over het belastingregime daarna.
Het kabinet onderzoekt of de heffingsgrondslag kan worden vervangen door voertuigoppervlakte of omvang, of dat er een aparte tarieftabel voor elektrische auto’s moet komen. Consultancybureau Revnext voert een impactanalyse uit naar de beleidseffecten, onder meer op verkeersveiligheid en ruimtegebruik. De Belastingdienst en de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) beoordelen de uitvoerbaarheid. Daarnaast bespreekt het kabinet met de provincies wat een grondlagswijziging betekent voor de provinciale opcenten, de toeslag die provincies heffen bovenop de rijksbelasting. De resultaten worden voor einde 2026 verwacht.
De door de staatssecretaris aangekondigde beleidsaanpassingen worden uitgewerkt in het Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Vervolgens moeten zowel de Tweede als Eerste Kamer nog met de plannen instemmen.